23 april 2015

NIOD-directeur sprak op de donderdag 23 april bij de Herdenking Verzetsgraf en crematorium Kamp Westerbork. Hieronder haar toespraak.

Bron: Herinneringscentrum Kamp Westerbork

Overdenking Westerbork, bij de verzetsgraven. 23 april 2015

Wat hebben Westerbork en verzet met elkaar te maken? Die vraag  wordt opgeroepen door de graven van de 10 verzetsmannen die op 20 september 1943 werden geëxecuteerd. En door de 52 andere mannen, die in 1944 ter dood werden gebracht en zijn herbegraven in Groningen, Beilen en Loenen. Ook hen herdenken wij vandaag.

Verzet is niet het eerste waaraan we denken bij Westerbork. We  weten dat door een minderheid van de Nederlanders hulp is geboden aan Joden die wilden onderduiken, maar uit de summiere gegevens over de 10 mannen valt niet gemakkelijk af te leiden of ze speciaal actief waren in het bieden van hulp aan Joodse onderduikers. Wel dat ze betrokken waren bij de gewapende activiteiten die nodig waren om die hulp te kunnen bieden.  Ze zijn vrijwel allemaal gearresteerd na één of meer overvallen op distributiekantoren of na brandstichting in het gemeentehuis in Exloo. De 10 mannen werden in Assen geëxecuteerd en naar Westerbork gebracht om daar in het crematorium verast te worden. Daarna werd hun as op een tot 1949 onbekend gebleven plaats begraven. De andere 52 vermoorden zijn wel in Westerbork geëxecuteerd. Onder hen waren in ieder geval  4 Joodse kampgevangen die werden vermoord omdat ze een poging hadden gedaan om te vluchten.

Wat zeggen deze schimmige geschiedenissen dan over Westerbork en Verzet? Bij nader inzien heel wat, maar wel via een omweg. Allereerst leiden die geschiedenissen ons naar de persoon die ervoor heeft gezorgd dat wij hier vandaag staan. Dat is namelijk op zich een klein wonder. Immers, het was aanvankelijk niet de bedoeling dat de stoffelijke resten  van deze mannen gevonden zouden worden. Hetzelfde geldt voor die van de 52 anderen. Van deze laatste groep werd ook het feit dat ze geëxecuteerd waren  geheim gehouden. Dankzij de naoorlogse getuigenis van Werner Stertzenbach, kon worden vastgesteld waar de as van de 10 ter dood veroordeelde verzetsmannen begraven was. Bij het onderzoek naar het crematorium, werden ook  resten van andere geëxecuteerden gevonden.

Waarom is dit belangrijk om te memoreren? In de eerste plaats omdat het eens te meer bevestigt hoe belangrijk het is om te weten waar de stoffelijke resten van omgekomen dierbaren zich bevinden. Dat onlangs nog de identiteit van 3 op de Waalsdorper Vlakte geëxecuteerde verzetsmensen kon worden vastgesteld, is voor de nabestaanden ongetwijfeld van grote betekenis geweest en haalde niet voor niets de kranten.

Maar er is meer, ik zei het al; de zoektocht naar de plaats waar de vermoorde mannen  waren begraven, leidt ons naar Werner Stertzenbach, en zo naar het verzet in en rond Westerbork.

Wie was Stertzenbach? Hij was een Duitse Jood die na veel omzwervingen uiteindelijk in februari 1941 in Westerbork terecht was gekomen.  Als kampveteraan kreeg hij een baan als opzichter van het rioleringsgebouw buiten het kamp. Dat bracht hem in een ideale positie om verzet te plegen. Hij werd een belangrijke schakel in een verzetsnetwerk dat mensen naar buiten smokkelde en aan een onderduikadres hielp. Naar eigen zeggen hielp hij tussen de 20 en 30 gevangenen te ontsnappen.  Zelf slaagde hij er ook in het kamp te ontvluchten. Dat gebeurde enkele dagen nadat kampcommandant Gemmeker hem en andere Joodse gevangen had gedwongen de lichamen van de 10 mannen in het geheim te verbranden en te begraven.

Stertzenbach’s verzetshouding was opmerkelijk. Hij maakte zich als Communistische Jood geen enkele illusie over de bedoelingen van het regime, en probeerde in Westerbork b.v. Etty Hillesum van de barbaarsheid daarvan te overtuigen. Hij wilde dat ze onderdook en dat ze haar literaire talenten in dienst stelde van het verzet. Maar Etty wilde niet. Ze vond dat ze haar ouders niet in de steek kon laten en dat het haar taak was om mensen in het kamp te helpen. De Palestinapioniers, waartoe Stertzenbach had behoord, hadden een zelfde soort redenering: ontsnappen werd gezien als een egoïstische daad, die geen rekening hield met het gevaar van represailles waar in de eerste plaats achtergebleven familieleden door zouden worden getroffen.  En ze waren tegen individuele ontsnappingen; als er een poging gedaan zou worden om te vluchten, dan zou dat een groepsontsnapping moeten zijn. Veel moeilijker te organiseren,en die zijn dan ook niet gelukt.

Dit gegeven, Joodse kampgevangen die besloten niet te vluchten, past in een hardnekkig beeld dat nog steeds bestaat, namelijk dat van Joden die zich als makke schapen naar de slachtbank lieten voeren. Dit beeld is nodig aan herziening toe. Heel mooi is wat Eva Moraal in haar boek over Westerbork schrijft over de schroom om te vluchten. Op basis van allerlei soorten egodocumenten, zoals dagboeken, brieven en herinneringen, werpt zij licht op de beweegredenen van kampbewoners om te blijven, in plaats van te vluchten. Naast de angst voor represailles, wisten de meesten van hen niet waar ze zonder papieren en onderduikadres naar toe zouden moeten als ze eenmaal ontsnapt waren. Maar het allerbelangrijkste was wat Eva Moraal de ‘abnormale normaliteit’ van het kamp noemt.  In Westerbork was het onmogelijk om te duiden wat er precies gebeurde. Er was weinig tot geen zichtbaar geweld, als men de transporten tenminste niet tot geweld rekent. Maar ook die transporten waren in een waas gehuld waar het ging om de ware bestemming. Ook al waren er veel vermoedens, echt zeker weten kon men het niet. ‘Er was in Westerbork niemand, die ook maar een idee had wat ons te wachten stond. Anders was ik er zeker tussenuit gepiept’, meende een overlevende zestig jaar later.

Uit Eva Moraals boek blijkt dat veel gevangenen indertijd bezig waren met de vraag of zij al dan niet zouden vluchten. Dat alleen al vraagt om een ander beeld dan het beeld van de passieve lammeren. Ander onderzoek, bijvoorbeeld dat van Hannah van den Ende over Joodse artsen, maakt duidelijk hoeveel pogingen tot sabotage van de regels hebben plaatsgevonden om aan deportatie te ontkomen. Dat de meeste pogingen niet het gewenste doel hadden, namelijk ontkomen aan deportatie, mag er niet toe leiden dat vergeten wordt dat die pogingen wel zijn gedaan.

Ook niet uitgevoerde plannen zijn het waard om herinnerd te worden. Zie b.v. het door Constant van den Heuvel verrichte onderzoek naar een mislukt, eind 1943 geboren plan om Westerbork te bevrijden. Dat onderzoek laat zien dat er nog steeds verborgen geschiedenissen zijn die ons beeld van het verleden veranderen als ze aan het licht komen.  Dit plan was gesmeed door een dominee, een Duitse deserteur, een Nederlandse politieman en een Joodse onderduiker, met hulp van zo’n 200 andere verzetsmensen. Het idee was om trein het kamp in te laten rijden om de kampbewoners mee te nemen. Ook zou de spoorbrug over het Buiskooldiep in de buurt van Nieuweschans worden opgeblazen en daarna zou dominee Ader, die ook een trein kon besturen, een locomotief in het diep moeten rijden om de ravage verder te vergroten. Zo zou de spoorlijn onbruikbaar worden. Het plan mislukte door verraad, met als gevolg dat Ader werd gearresteerd en op 20 november 1944 gefusilleerd. Tijdens zijn gevangenschap wist hij briefjes naar buiten te smokkelen, waarin hij het plan noemde. Die briefjes, en nog enkele andere summiere sporen, waren voor Van den Heuvel en voor de kinderen van Ader en andere betrokkenen, reden om een zoektocht te beginnen die is uitgemond in het boek ‘Het kruis op de berg’ dat op 9 mei uitkomt.  

Aders niet uitgevoerde plan roept de vraag op hoeveel andere mislukte, nooit uitgevoerde plannen voor verzet en sabotage zijn gesmeed? Maar ook werpen ze licht op de verbindingen tussen mensen in Westerbork en verzetsgroepen buiten het kamp. Ader was al jaren betrokken bij de georganiseerde hulp aan Joodse onderduikers, en kwam vanuit die ervaring tot zijn plan. Een nieuw, op 1 mei te presenteren boek van Hans Schippers over de verzetsgroep van Joop Westerweel en de Palestina Pioniers laat soortgelijke verbindingen zien. Weer was het hier een Duitse Jood, Kurt Walter,die net als Stertzenbach een geprivilegieerde positie had als kampbewoner die hem tot de ideale schakel tussen verzet binnen en buiten Westerbork maakte. Hij was namelijk machinist op een smalspoorlijntje met kiepkarren, dat over een afstand van 5 km goederen vervoerde van en naar het Oranjekanaal. Hij had buiten het kamp contact met leden van de Westerweelgroep. Zij zorgden voor valse passen, die kandidaten voor ontsnapping konden gebruiken om buiten het kamp te komen. Eenmaal in het bos, werden de ontvluchte kampbewoners door de leden van de Westerweel groep naar een hutje geleid, gemaakt door LO voor Arbeidsinzet onderduikers. Daar brachten ze de nacht door. Vandaar naar onderduikadres in Den Haag, bij andere leden van de groep Westerweel, die hen doorsluisden naar andere adressen, in Nederland of daarbuiten.

Op de meer dan 100.000 Joden die zijn gedeporteerd vallen de tientallen mensen die zo zijn gered getalsmatig in het niet. Maar juist de oorlog leert ons dat mensen meer zijn dan getallen en nummers. Daarom is het goed dat wij via de mannen die wij vandaag herdenken, ook de herinnering levend houden aan hen die al dan niet met succes, mensen uit Westerbork probeerden te redden en daar soms met hun leven voor betaalden.

Marjan Schwegman, Directeur NIOD