12 april 2017

NIOD-directeur Frank van Vree sprak op 11 april tijdens de Buchenwaldherdenking in het gedenkpark van De Nieuwe Ooster in Amsterdam. Zijn toespraak staat nu online.  (tekst gaat hieronder verder)

Gevangenen op kampterrein. BeeldbankWO2 / NIOD/ Leo Klatser

Goethe’s Eik

Rond kamp Buchenwald gingen vanaf de oprichting in 1937 verhalen rond -  verhalen waarom het kamp juist daar, op die plek, was neergezet, vlakbij Weimar, op de Ettersberg, de plek waar de grootste Duitse denkers en kunstenaars, te beginnen met Goethe en Schiller, zo veel aangename uren hadden doorgebracht. Dat kon geen toeval zijn.

Veel Duitse intellectuelen, maar ook gevangenen, waren ervan overtuigd dat de nazi’s met de keuze voor deze plaats een symbolische daad hadden willen stellen: in dit kamp zouden hun tegenstanders, de aanhangers van de door hen verfoeide Republiek die daar geboren was, worden geïnterneerd (1). De aanleg van Buchenwald moest, kortom, gezien worden als een vorm van ontwaarding van de Weimar Republiek, of, volgens sommigen, nog meer dan dat: een ontheiliging van de Duitse cultuur. Daarnaast zou de SS het kamp – net als het KZ Natzweiler in de Elzas - met opzet op de noordflank van de berg hebben aangelegd, met het doel de gevangenen in de wintermaanden bloot te stellen aan barre omstandigheden.

Deze verhalen, hoe verleidelijk ook, vinden geen steun in het historisch onderzoek. De keuze voor de locatie van de verschillende kampen was in werkelijkheid een rechtstreeks uitvloeisel van Hitlers plannen voor grote openbare werken, de zgn. Führerbauten. Zo was de keuze voor Natzweiler een ingegeven door de nabijheid van een zeldzame soort rood graniet, waar Albert Speer zijn zinnen op gezet had.

De keuze voor de Ettersberg was de uitkomst van een lang en ingewikkeld proces, waarin uiteindelijk de aanwezigheid van exploiteerbare leem- of kleigronden, met het oog op de inschakeling van gevangenen in de baksteenproductie, de doorslag gaf. Bovendien voldeed het terrein aan een aantal andere eisen die het regime stelde: het nieuwe kamp zou tenminste 75 hectare groot moeten zijn, groot genoeg om de oude kampen Bad Sulza, Lichtenburg en Sachsenburg te vervangen, en bovendien in Thüringen moeten liggen, een deelstaat waar de socialisten van oudsher erg sterk waren: deze ‘staatsgevaarlijke elementen’ zouden in tijden van oorlog en tegenslag zo nodig in het kamp opgesloten moeten kunnen worden. Een mogelijk andere overweging vormde de wens van de SS om een aantal formaties in Weimar onder te brengen en de kosten daarvan te dekken met de opbrengsten van de slavenarbeid uit een nabijgelegen kamp.

En zo werd op 7 juli 1937 de oprichting bekend gemaakt van wat toen nog het Konzentrationslager Ettersberg heette. Die naam stuitte evenwel op protest bij de nationaal-socialistische cultuurvereniging van de stad Weimar: deze wilde niet dat de naam van Goethe’s lievelingsberg werd verbonden met een gevangenenkamp. Daarop werd de naam KL Hottelstedt voorgesteld, naar het dichtst bijgelegen dorpje, maar dat was voor de SS op haar beurt onaanvaardbaar, omdat bepaalde vergoedingen afhankelijk waren van het aantal inwoners van een garnizoensplaats. Het was uiteindelijk Himmler zelf die op 28 juli '37 koos voor KZ-Buchenwald, Post Weimar, aan te leggen op de noordflank om het te onttrekken aan het zicht van de fijngevoelige bevolking van Weimar.

Buchenwald, het beukenwoud. Volgens de overlevering had Goethe er als kind zijn naam in de stam van een alleenstaande beuk gekerfd. Bij de rooien van het bos voor de aanleg van het kamp besloten SS-ers – mogelijk op verzoek van omwonenden, dan wel op grond van een maatregel in het kader van de natuurbescherming - een of meerdere bomen te sparen. Daaronder bevond zich in ieder geval de boom die in de omgeving bekend stond als de Goethe Eiche, de eik waaronder Goethe – volgens de mythe (want dat was het) - gemijmerd en geschreven en met Anna Amalia gezeten zou hebben. Bovendien wilde de overlevering dat Duitsland een ramp te wachten stond wanneer deze boom zou sterven.

En zo stond daar, midden in het kamp, vlak naast de wasserij, uitkijkend op de Appellplatz en het Krematorium, de Eik van Goethe – in de woorden van Gevangene Nr. 4935:

een enorme eik - een prachtig reus van een paar honderd jaar. Als je voor hem stond, gefascineerd door de schoonheid van de verhoudingen en het verheven ritme van zijn eeuwenlange leven, dan begrijp je waarom zulke eiken ooit als goden werden vereerd.

Ernst Wiechert, een andere overlevende van het kamp, herinnerde zich in Der Totenwald. Ein Bericht, een documentair prozastuk, geschreven eind 1939 en gepubliceerd in 1946, dat hij onder de eik staat en reflecteert over wat hij ‘de Januskop van Duitsland’ noemt.

Voor de SS was de boom een symbool van het Duitsland dat zij meenden te vertegenwoordigen – wat hen er niet van weerhield dat symbool vervolgens te gebruiken voor ‘paalhangen’, waarbij gevangenen met gebonden handen aan de boom werden opgehangen, tot hun schouders en armen ontwricht waren, waardoor ze die dagenlang niet meer konden gebruiken.

Voor de gevangenen van het concentratiekamp stond de boom voor het Duitsland van de Verlichting, voor de humanistische waarden die door de nazi’s waren vertrapt - alsof Goethe zelf door de nazi’s in het kamp was opgesloten. Voor velen van hen was de boom tegelijk een bron van hoop en geloof, als een boom van het leven.

Goethe betekende voor deze Buchenwald-gevangenen evenveel als voor die Nederlandse gevangene in een heel ander deel van Duitsland, in concentratiekamp Dachau: en dan heb ik het over Nico Rost, de schrijver en vertaler die als Nachtpfleger op de malaria-afdeling, en later als portier en Revierläufer, in de gelegenheid was met veel mensen te praten en stukjes papier te verzamelen – papiertjes waarop hij vervolgens aantekeningen maakte, aantekeningen die de basis zouden vormen van zijn boek Goethe in Dachau. Literatuur en werkelijkheid, dat hij in 1946 publiceerde. Voor Rost vormden lezen en praten over de klassieke Duitse literatuur en cultuur een manier om tot begrip van de wereld te komen, te midden van de gruwelijkheden van het kamp, de honger, de typhus, de uitputting en de doden die in steeds grotere aantallen vielen. Op 9 maart 1945 schrijft hij:

Ik mag de dood, die ons hier elk uur, elk oogenblik op de hielen zit, niet m'n gedachtenwereld laten beheerschen. Anders val ik hem zeker ten offer. Ik wil en moet nog meer moeite doen om me tot lezen te dwingen, en als dat niet gaat, mezelf elken dag systematisch een taak voorschrijven.

Voor Rost, maar ook voor veel gevangenen in Buchenwald, vormde de herinnering aan Goethe een bron van kracht, als symbool van beschaving, van humanisme, tegen de verdrukking in, reddingboei van de hoop.

Op 24 Augustus 1944 vond een groot bombardement door de 8th Air Force op Gustloff-Werk II wapenfabriek en de Deutsche Ausrüstungswerke plaats. Gustloff-Werk II, waar rond 3500 Buchenwald-gevangenen werkten en die ook onderdelen leverde voor de V2, werd zwaar getroffen. Maar er viel abusievelijk ook bommen op het gevangenkamp, die niet alleen de wasserij maar ook de eik in lichtelaaie zetten. De boom zou een nacht branden.

Gevangene Nr. 4935 herinnert zich later hoe de gevangenen een lange keten vormden en emmers water uit het reservoir doorgaven tot aan de plaats van de brand. ‘Ze redden de wasserij maar doven de eik niet. Op hun gezichten een geheime vreugde, een stille triomf: nu wordt de profetie van de legende waarheid!’

Veel gevangenen hechtten aan de voorspelling dat het Duitse Rijk binnen een jaar zou vallen – en zij waren de enigen niet. Andere getuigen verklaarden dat sommige bewakers in paniek waren.

De volgende dag werden de rest van de boom door de SS geveld. Het meeste hout verdween in de kachel, maar ook enkele gevangenen wisten stukken van de resten van de boom te bemachtigen. Daarvan werden voorwerpen uitgesneden, zoals Das letzte Gesicht van de schrijver Bruno Apitz, nu te zien in het Duits Historisch Museum. Met dit gezicht, gesneden uit het hout van de eik die Goethe’s Weimar verbond met KZ Buchenwald, wilde Apitz – ik citeer – ‘de tienduizenden slachtoffers van het concentratiekamp hun individuele dood en hun individuele waarde teruggeven’.

Dat is precies ook de reden waarom wij hier vandaag staan.

(1) Zie hiervoor o.a. Gie van den Berghe, Met de dood voor ogen. Begrip en onbegrip tussen overlevenden van nazi-kampen en buitenstaanders. Berchem: EPO 1987;  Häftling 4935, ‘Über die Goethe-Eiche im Lager Buchenwald’. Neue Zürcher Zeitung 4 November 2006; Pierre D'Harcourt, The Real Enemy, London: Longman 1967.