Uitgelicht onderzoek

Het project The families Jessurun d’Oliveira en Rodrigues Pereirais een studie naar de geschiedenis van de Portugese Joden in de late negentiende en twintigste eeuw.

Familie d’Oliveira (vader Eli, zijn tweede vrouw Louisa Lopes Cardozo, zoon Jacob en dochter Elsa)

Onderzoeker: drs. Jaap Cohen
Promotor(en): Prof. dr. J.C.H. Blom, Prof. dr. Evelien Gans
Looptijd: 2009-2014
Publicatie: proefschrift
Samenwerkingsverband: Universiteit van Amsterdam, Stichting Conto

Meer informatie:

Het onderzoek omvat een laat negentiende- en twintigste-eeuwse geschiedenis van de Portugese Joden (Sefardim) in Nederland, aan de hand van de geschiedenissen van de familie Jessurun d’Oliveira-Rodrigues Pereira. Hierbij is in het bijzonder aandacht besteed aan:

  • Het (zelf)beeld van de Portugese Joden. Ten tijde van hun vestiging in de zestiende- en zeventiende-eeuwse Republiek waren de Sefardim aanvankelijk een op zichzelf staande groep. Dat veranderde met de komst van grote aantallen Hoogduitse Joden (Asjkenazim). Portugese Joden werden een, weliswaar specifiek, onderdeel van de omvangrijke Joodse bevolkingsgroep in Nederland. Met de Emancipatie in 1796 kwam er voor hen, naast ‘Sefardisch’ en ‘Joods’, een derde loyaliteit bij: Portugese Joden waren ook ‘Nederlands’ geworden. Bij deze drie elementen horen van oudsher verschillende stereotypen die het (zelf)beeld van Portugese Joden sterk hebben beïnvloed – een (zelf)beeld dat zeker niet hoeft overeen te komen met de historische realiteit.
  • De relatie met de Hoogduitse Joden. Van oudsher is deze gekenmerkt door een zekere spanning: zo beschouwden de Sefardim ten tijde van de Republiek de Asjkenazim in het algemeen als paupers die ook op cultureel gebied minderwaardig waren. In de negentiende eeuw werkten beide Joodse bevolkingsgroepen weliswaar op vele gebieden samen, maar bleven de Sefardim vasthouden aan hun eigen riten en aan de herinnering aan hun eigen roemrijke verleden. De verhouding tussen beide groepen kwam in de twintigste eeuw nog meer onder druk te staan door een initiatief van enkele vooraanstaande Portugese Joden in bezettingstijd. Zij probeerden met (quasi-)wetenschappelijke rassentheorieën te bewijzen dat hun groep niet tot het Joodse, maar tot het mediterrane ‘ras’ behoorde en zodoende van deportatie gevrijwaard zou moeten worden. De (vergeefse) reddingsoperatie heeft tot verontwaardiging bij Hoogduitse Joden geleid. De vraag is in hoeverre deze verontwaardiging ook na de oorlog aanwezig bleef binnen de groep van Hoogduitse Joden, en hoezeer deze de relatie met de Portugees-Joodse groep na 1945 heeft beïnvloed.
  • De positie binnen de Nederlandse samenleving. Hiervoor zal onderzoek worden gedaan naar de sociaal-economische positie van de groep, de mate van integratie/acculturatie/assimilatie, de invloed van religie, zionisme, antisemitisme en de staat Israël, en de gemeenschappelijke herinnering aan de sjoah en de gevolgen daarvan als belangrijk element van Joodse identiteit.